Just another WordPress.com site

Kadetje

Ik eet een kadetje met ham.
Het verse witte brood plakt aan mijn gehemelte en laat zich moeilijk wegslikken.
Wit brood op woensdag, dat klopt niet.
Normaal brengt de bakker alleen op zaterdagen een halfje ervan mee.
Daar snijdt mijn moeder dan s’ zondags voorzichtig dunne boterhammen van, zodat we na het weekend ook nog een sneetje mee kunnen nemen naar school.

En nu eet ik een wit kadetje met ham op woensdag. Lekker hoor.
Maar waarom voel ik me dan niet blij?

De mensen om mij heen praten en lachen. Soms hard.
Totdat er iemand geschrokken opkijkt en ze weer fluisterend verder gaan.

Welopgevoede mensen zijn het immers. In hun jurken met glimmende bloemen en goedkoop ruikende pakken – de zakken dichtgenaaid – zien ze er ongemakkelijk uit. Eén pak komt op me af, wil mijn hand schudden. Maar ik niet de zijne.
We ontwijken elkaar stuntelig. Totdat hij opeens uithaalt en ik voel hoe zijn palm een propje papier in die van mij drukt. Een briefje van vijfentwintig gulden.

De man zegt niets, kijkt mij alleen meewarig aan om dan zijn tanden weer in het broodje kaas te zetten dat hij ondertussen in zijn niet-schuddende hand heeft fijngeknepen.
Het zal voor hem ook wel bijzonder zijn, zo iets lekkers op een doordeweekse dag.
Ik ren naar boven om het geld in de spaarpot te stoppen.
En dan weer snel naar beneden: wie weet wat mij nog meer te wachten staat.

Mijn maillot jeukt. Ik haat die dingen. Vanochtend moest ik douchen –  raar, het was toch nog geen weekend? Het stomend hete water had me rood gebrand. Tranen sprongen in mijn ogen maar werden snel weggeboend met scherp ruikende Palmolive zeep. Het trok mijn huid strak. Zo strak dat het niet meer passend leek voor wie ik geworden was. Als een klein kind werd ik met een rulle handdoek afgedroogd en door ferme handen in de stijve jurk en wollen kousenbroek gehesen. Kerkelijke verkleedkleren die aanvoelden als schuurpapier.  Op de wc verlos ik nu mijn benen van hun jeukend juk. De koele lucht verlicht de pijn.

Als iedereen vertrokken is, zet moeder plichtsgetrouw de pannen op het vuur. Aardappelen en kool, daar is niets bijzonders aan. Ik maak de tafel klaar, zet vijf, nee vier borden op het met de hand geborduurde tafelkleed. Bruine draadjes rafelen losgeschoten om jus-  en soepvlekken heen. Nog in het net gekleed schuiven we aan en eten stil ons maal. Dan volgt een gebed ter dank.
Moeder’s amen wordt uitgesproken als een vloek: Het zij zo.

Ik leun mijn hoofd tegen het koude raam. De oranje verlichte straat schittert nat op in het donker.
Twee lantarenpalen verderop lig jij.
In de regen. In een gat.
Hoewel ik weet dat het niet klopt, hoop ik toch dat je het warm hebt, en gezellig.
Dat de grond nog niet gestort is, je nog weg kunt als je wilt.
Ik fluister zachtjes : Ik houd van je papa, echt waar.
Echt waar.
Maar niemand meer die het hoort.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s