Just another WordPress.com site

Uncategorized

Fits like a…..

Image

Dit is de tijd dat je je handschoenen kwijtraakt 

Dit is de tijd dat je je handschoenen kwijtraakt.
De koude trekt weg, de evenaar over.
Hier heffen we onze gezichten smachtelijk op naar de eerste bleke zon.
Verwaarloosde vellen dragen wij. Ze willen bloot en naar buiten.
Streel mij, kleur mij.
Dus gaat de jas open en mag de sjaal af.
Handschoenen liggen achteloos in schoten geworpen zich te vervelen.
Bij het opstaan vallen ze stilletjes op de grond. Sluipen dan op tien vingers weg.
Onthand, ontheemd.

Chroicocephalus ridibundus

In de polder is het veilig toeven. Mijn vader weet dit als geen ander, neemt de hond geregeld aan de riem om zichzelf uit te laten. Soms mag ik met hen mee het weiland in. Het beest en ik draaien dan kwispelend rondom de grote man, bedelen om een stukje aandacht. Terwijl hij de groene horizon scant met zijn ogen, vriend noch vijand onbemerkt, aait vader ons over het hoofd. Zijn hand voelt sterk en warm, als een ploeg trekt hij voren in m’n haar.

Gezamenlijk schuimen we het hoge gras af op eieren. Nat slaan groene slierten zich om onze kuiten heen, het water sijpelt mijn laarzen in en vormt poeltjes op de bodem. “De kokmeeuw” ,zegt mijn vader, “Alias Chroicocephalus ridibundus, heft de vleugels en strekt haar nek en snavel recht omhoog als zij zich aangevallen voelt. Kijk.” En hij doet de boze vogelvrouw na, staat als een gekruisigde in het land met het hoofd verontwaardigd naar de hemel geheven. Een ‘Waarom heeft u mij verlaten?’ zonder woorden.

De hond blaft vader opgewonden uit zijn tableau vivant. Over de natte kleigrond glijden we naar hem toe. Een nest ligt verscholen in de waterkant, het hoge riet beschermer van drie eieren op een takkenbed. Kippenvel bekruipt me. Ze liggen er koud bij, zo zonder de warme lijven van hun ouders. Voorzichtig pakt mijn vader een ei op, houdt het hoog tegen het licht waardoor achter de ijle schil een schaduw zichbaar wordt. “Grot van Plato.” zegt hij zacht. De foetus lijkt instemmend te knikken. Maar dan zie ik dat het vader’s bibberende hand is die hem bewegen doet.

Sinds de dokter met hem sprak over een terminale ziekte -alsof het leven ooit iets anders is dan dat- is de dood te herkennen in al vader’s doen en laten. Nu hij zich bukt om het ei weer zachtjes terug te leggen bij de anderen, hoor ik hoe zijn ruggewervels kermen. Zijn oogleden hangen vermoeid half over de ogen heen, als kapotte blindering die bij het omhooghalen is vastgelopen. Het lichaam heeft de terugtrekking al ingezet.

Vader kijkt me aan en lacht. “Misschien kom ik wel terug als vogel straks. Zet maar alvast op de kaart: Wees maar blij, hij is nu ei.” Ik probeer met hem mee te lachen maar mijn gezicht laat zich slechts in een grimas trekken. Later, als hij dood is en in dezelfde klei ligt als waar we nu samen op lopen, zal ik iedere overvliegende vogel groeten zoals het een trouw kind betaamt, nu de eigen blik verontwaardigd omhoog. “Ben jij het? Heb je niet al lang genoeg gevlogen? Kom terug, ik heb je nodig.”

Een kokmeeuw cirkelt hoog boven onze hoofden. Ze krijst en kijft om de reuzen bij haar nest vandaan te krijgen. Wanneer wij de nek strekken om de vogel eens goed te bekijken, vertellen wij haar in eigen taal dat ook wij ons aangevallen voelen. Éénmaal duikt ze vlak over onze hoofden heen, neemt dan haar verlies tegen de mens. Chroicocephalus ridibundus. Als een toverspreuk vliegt ze de grauwte tegemoet, haar eieren rillend achterlatend.

 

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2012


Draadjesvlees

Terwijl mijn moeder verhit boven de oranje braadpan hangt, vallen er dikke spetters vet op de zojuist schoongeschrobde vloer.Zaterdagmiddag, half zes. Buiten is het donker en koud. Binnen kleurt de tl-buis de keuken tot operatiezaal, koel licht valt op het groene keukenzeil en weerkaatst de besmeurde muren.

Mijn broers zitten aan tafel en leunen beide zwaar op het wollige tafelkleed. Stoere praat door stoere mannen. Ze stinken naar motorvet en koeienstront. Moeder jongleert met braadvork en fluitketel en giet geoefend kokend water op het vlees. Het restje wordt gebruikt voor koffie.

De radio staat aan, sport wordt besproken maar niemand luistert. Dat doen we überhaupt niet, luisteren. Ik bedel om een stukje vlees, als een hond sta ik te kwijlen bij de pan. Diepe zuchten en gemopper maar ik krijg waar ik om vraag. Zuigend trek ik het vet uit de spieren.

Het glazen raampje van het oude dressoir rinkelt verontwaardigd als er met deuren gesmeten word. De koffie is klaar en word zwijgend gedronken. Zondag hangt al in de lucht. Gebraden draadjesvlees.


Aai Poesje…..

Katten zijn uitzuigers. Wat ze niet krijgen, nemen ze – bevestigen met een geurspoor hun bezit.  Andere dieren plezieren de mens,  maar een kat draait krols de rollen om.  Als je bevalt dan mag je aaien. Zo niet, dan draait het beest  je een hoge staart met poepgat toe, de middelvinger in kattentaal. Nu ik ze wat langer bestudeerd had, begreep ik het principe. Ik wilde dat ook. Ik moest het kwispelen voorbij.

Kwispelen lijkt haar ingeboren. Als een metronoom tikt ze haar stappen weg, de brede heupen zwiepende gangmakers tijdens het lopen. Praat met haar en je voelt dezelfde beweging. Nee, ja, nee, ja, nee, ja. Kwispelturig. De neiging om dan te slaan probeer ik –tevergeefs vaak- weg te redeneren. Het versnelt slechts haar ritme. Ik tel eerst tot tien, tot honderd soms. Ze blijft ze me dan aankijken met die hemelsblauwe ogen. Haar lippen happend naar lucht, alsof ze sprakeloos meetelt tot het moment dat mijn hand omhoog gaat. Nee, snugger is ze ook niet.

Kijk, eigenlijk zit het al in mijn naam. Katinka. Kat in Ka. Bazig beest in bazig mens. Maar ja, het geboortekaartje sprak verder over ‘dankbaar zijn wij’ en ‘onze lieve dochter’ en de postnatale jaren ben ik vooral bezig geweest om die geschreven belofte waar te maken. Een roze wolk die nimmer dondert. En waar heeft het me gebracht? Bij een man met losse handen die me op dit moment aanstaart alsof ik een drol op pootjes ben. Wat vroeg hij ook alweer? Of ik helemaal gek geworden was. Nee, natuurlijk niet. Of nee, wacht even. Misschien toch wel. Een beetje.

Ze was eigenlijk altijd al een beetje vreemd. Achteraf bezien. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, stond ze met een komkommer in haar hand met de caissière te praten. Als was het een dirigeerstok, zo liet ze de vrucht haar woorden bevestigen. Ik moest toen lachen. De anderen die achter haar aansloten ook. Een mooie vrouw kan zich dergelijke eigenaardigheden permitteren. Nu zou het me geïrriteerd hebben. Leg neer dat ding. Doe normaal. Maar daar heeft ze juist zo’n moeite mee.

Ben ik gek geworden? Nee, ik zou eerder willen zeggen: gek gemaakt. Of laten maken, om wat eer aan mezelf te houden. Als een deurmat vleide ik me onder de voeten van hen die over me heen wilden lopen. Zo ook bij hem. Zijn sporen staan inmiddels diep in mijn lichaam gesleten. Ze schrijnen nu ik probeer op te staan.

Zij kocht de komkommer, ik maakte een praatje en kreeg haar telefoonnummer. Veel meer was er niet nodig. Vrouwen met benen om naar te kijken en borsten om aan te zitten, ik praatte ze –en zij was daar geen uitzondering op- altijd zo de kleren uit mijn bed in. Timing meer dan Ware Liefde maakte dat ik met haar bed bleef delen. Ik was alleen, de mensen om mij heen niet meer. Dat was genoeg geweest.

Vroeger waren we een wij. Hij de regisseur van onze relatie en ik de actrice die trouw zijn aanwijzingen volgde. Zolang ik mij in de door hem toebedachte rollen schikte, ging het goed. Maar ergens in de tijd ben ik mijn tekst kwijtgeraakt. Met klappen probeert hij er de woorden in te slaan maar zonder resultaat: ik pas niet meer in zijn script.

Waarom ik haar sla? Omdat het kan. Omdat wat eerst genoeg leek niet meer genoeg bleek te zijn. Corrigerende tikken. Maar niet dat zij luisteren wil.

Ik peuter met het mes onder mijn nagels waar kleigrond zich tekent om mijn vingertoppen. Zwarte rouwrandjes. Ha.

Ze lacht. Ze lacht terwijl ze met een mes haar nagels staat schoon te maken. Dat heb ik lang niet gezien, die lach. Ach, droeg ze hem vaker, hij staat haar zo goed. Mijn mond wil meebewegen, de hoeken krullen al licht omhoog. Dan realiseer ik me hoe absurd dit zou zijn in de gegeven situatie. En bijt mijn lippen strak.

Even trekt er een schim van een glimlach over zijn gezicht. Dan komt het strenge masker weer terug. Vroeger – gisteren nog- zou hij me dan een pak slaag gegeven hebben. Nu kijkt hij me slechts aan en hoopt me met een dwingende blik op de rug te krijgen, de poten in de lucht gestoken ten teken van overgave. Maar het doet een ander soort beest in mij ontwaken.

Had ik dit aan kunnen zien komen? Had ik haar beter moeten lezen? Ik dacht haar te kennen, te weten wat er komen zou. Hoe kon ik vertrouwd zijn met verwarren met zeker te weten. Niets is zeker. Lul. Niets is zeker.

Ik ben zeker van wat ik ga doen. Eindelijk. Een kat in het nauw maakt rare sprongen, zo zal mijn verweer zijn. Ik zie me staan voor de rechtbank, schimmen huilend achter mij. Grote druppels verdriet voor iedere belofte die hij gebroken heeft, voor iedere belofte die hij niet meer waar kan maken.

‘Toe Katinka, toe nou.’

Aangemoedigd sla ik mijn klauwen uit.