Just another WordPress.com site

Latest

Aai Poesje…..

Katten zijn uitzuigers. Wat ze niet krijgen, nemen ze – bevestigen met een geurspoor hun bezit.  Andere dieren plezieren de mens,  maar een kat draait krols de rollen om.  Als je bevalt dan mag je aaien. Zo niet, dan draait het beest  je een hoge staart met poepgat toe, de middelvinger in kattentaal. Nu ik ze wat langer bestudeerd had, begreep ik het principe. Ik wilde dat ook. Ik moest het kwispelen voorbij.

Kwispelen lijkt haar ingeboren. Als een metronoom tikt ze haar stappen weg, de brede heupen zwiepende gangmakers tijdens het lopen. Praat met haar en je voelt dezelfde beweging. Nee, ja, nee, ja, nee, ja. Kwispelturig. De neiging om dan te slaan probeer ik –tevergeefs vaak- weg te redeneren. Het versnelt slechts haar ritme. Ik tel eerst tot tien, tot honderd soms. Ze blijft ze me dan aankijken met die hemelsblauwe ogen. Haar lippen happend naar lucht, alsof ze sprakeloos meetelt tot het moment dat mijn hand omhoog gaat. Nee, snugger is ze ook niet.

Kijk, eigenlijk zit het al in mijn naam. Katinka. Kat in Ka. Bazig beest in bazig mens. Maar ja, het geboortekaartje sprak verder over ‘dankbaar zijn wij’ en ‘onze lieve dochter’ en de postnatale jaren ben ik vooral bezig geweest om die geschreven belofte waar te maken. Een roze wolk die nimmer dondert. En waar heeft het me gebracht? Bij een man met losse handen die me op dit moment aanstaart alsof ik een drol op pootjes ben. Wat vroeg hij ook alweer? Of ik helemaal gek geworden was. Nee, natuurlijk niet. Of nee, wacht even. Misschien toch wel. Een beetje.

Ze was eigenlijk altijd al een beetje vreemd. Achteraf bezien. Toen ik haar voor het eerst ontmoette, stond ze met een komkommer in haar hand met de caissière te praten. Als was het een dirigeerstok, zo liet ze de vrucht haar woorden bevestigen. Ik moest toen lachen. De anderen die achter haar aansloten ook. Een mooie vrouw kan zich dergelijke eigenaardigheden permitteren. Nu zou het me geïrriteerd hebben. Leg neer dat ding. Doe normaal. Maar daar heeft ze juist zo’n moeite mee.

Ben ik gek geworden? Nee, ik zou eerder willen zeggen: gek gemaakt. Of laten maken, om wat eer aan mezelf te houden. Als een deurmat vleide ik me onder de voeten van hen die over me heen wilden lopen. Zo ook bij hem. Zijn sporen staan inmiddels diep in mijn lichaam gesleten. Ze schrijnen nu ik probeer op te staan.

Zij kocht de komkommer, ik maakte een praatje en kreeg haar telefoonnummer. Veel meer was er niet nodig. Vrouwen met benen om naar te kijken en borsten om aan te zitten, ik praatte ze –en zij was daar geen uitzondering op- altijd zo de kleren uit mijn bed in. Timing meer dan Ware Liefde maakte dat ik met haar bed bleef delen. Ik was alleen, de mensen om mij heen niet meer. Dat was genoeg geweest.

Vroeger waren we een wij. Hij de regisseur van onze relatie en ik de actrice die trouw zijn aanwijzingen volgde. Zolang ik mij in de door hem toebedachte rollen schikte, ging het goed. Maar ergens in de tijd ben ik mijn tekst kwijtgeraakt. Met klappen probeert hij er de woorden in te slaan maar zonder resultaat: ik pas niet meer in zijn script.

Waarom ik haar sla? Omdat het kan. Omdat wat eerst genoeg leek niet meer genoeg bleek te zijn. Corrigerende tikken. Maar niet dat zij luisteren wil.

Ik peuter met het mes onder mijn nagels waar kleigrond zich tekent om mijn vingertoppen. Zwarte rouwrandjes. Ha.

Ze lacht. Ze lacht terwijl ze met een mes haar nagels staat schoon te maken. Dat heb ik lang niet gezien, die lach. Ach, droeg ze hem vaker, hij staat haar zo goed. Mijn mond wil meebewegen, de hoeken krullen al licht omhoog. Dan realiseer ik me hoe absurd dit zou zijn in de gegeven situatie. En bijt mijn lippen strak.

Even trekt er een schim van een glimlach over zijn gezicht. Dan komt het strenge masker weer terug. Vroeger – gisteren nog- zou hij me dan een pak slaag gegeven hebben. Nu kijkt hij me slechts aan en hoopt me met een dwingende blik op de rug te krijgen, de poten in de lucht gestoken ten teken van overgave. Maar het doet een ander soort beest in mij ontwaken.

Had ik dit aan kunnen zien komen? Had ik haar beter moeten lezen? Ik dacht haar te kennen, te weten wat er komen zou. Hoe kon ik vertrouwd zijn met verwarren met zeker te weten. Niets is zeker. Lul. Niets is zeker.

Ik ben zeker van wat ik ga doen. Eindelijk. Een kat in het nauw maakt rare sprongen, zo zal mijn verweer zijn. Ik zie me staan voor de rechtbank, schimmen huilend achter mij. Grote druppels verdriet voor iedere belofte die hij gebroken heeft, voor iedere belofte die hij niet meer waar kan maken.

‘Toe Katinka, toe nou.’

Aangemoedigd sla ik mijn klauwen uit.

Advertisements

Spreken is zilver


Kijk, Vrouw weet het natuurlijk allang. Ze is immers de stille getuige.
Ziet toe hoe de tijd, immer subtiel, zijn spel al speelt met lichaam en geest, van het in fysieke balans zijn langzaam een teveel aan het ene en tekort aan het andere maakt. Hoe het hiaten in het romantische geheugen slaat als ware het een imploderende gatenkaas. Vrouw doet er het zwijgen toe. Zoals het een stille getuige betaamt.

Op de fiets. De zilveren broek plakt aan zijn benen, het polyester doet hem glad over het zadel schuiven. Staat het raar eigenlijk? De man aan de overkant staart naar ze. Waarschijnlijk wel dus. Korte mouwen in maart. Hij heeft het koud ook. Vrouw had nog snel een trui in de rugzak gestopt, maar die durft hij niet aan te trekken. Zijn vrienden zouden hem uitlachen.

Hij lacht met hen mee, goede grap zeg. Voelt hoe zijn mondhoeken omhoog gaan terwijl zijn ogen alert blijven, de andere gezichten scant op codes die hij niet meer kent. Leuk, weer met de jongens op pad. Van de fiets op het terras. Mensen kijken wat bevreemd naar hen, de ogen dichtgeknepen tegen het weerkaatsende licht op hun onderlichamen. Hij beweegt zich stroef tussen hen door, een incomplete Tin Man op zoek naar de hartslag van zijn jeugd. Het Land van Oz voelt echter verder weg dan ooit.

Het liefst was hij de broek kwijt. Zou hij de jongen die hij was uittrekken en achterlaten als een slang die zich vervelt. Maar hij gaat zitten, zakt onderuit en bestelt een bier. En nog één en twee en ach, waarom ook niet, nog één. Tel raakt kwijt. De drank pompt per slok vertrouwen in zijn bloed, blakend gloeien zijn wangen van hervonden kracht. Totdat het licht voelt in zijn hoofd en hij daadwerkelijk meent : the boys are back in town.

Ze lachen en praten hard en almaar harder. Vrouwen, vroeger en geld: als in een dolgedraaide carrousel keren ze almaar sneller terug in hun gesprekken. Geen van alleen lijkt er genoeg van te krijgen. Maar hij weet dat hij er wel genoeg van heeft. Er volgt eten, braken, drinken, doorgaan.

Ze zullen doorgaan.

Een harde beat. Tastbaar bijna. Zijn lichaam trilt als een snaar, genadeloos aangeslagen in strak en snel staccato. Zijn benen bewegen schoksgewijs mee, schijnen hem metalen geleiders die de opgebouwde spanning weer doen stroomlijnen. Hij heft de armen, malende molenwieken die hel oplichten in het blacklight. Er wordt om hem gelachen maar hij hoort het niet. Het zou hem niet kunnen schelen ook.

Die vrienden is hij kwijt. Al langer dan vannacht. Alcohol bleek een snel vervliegende smeerolie die meer en meer moeite had dat wat roestig was weer soepel te laten verlopen, bij elkaar te houden. Ze zijn er vandoor. Hij voelt zich opgelucht. En oud. Weet dat wat was nu niet meer hoeft. Laat dode herinneringen toch rusten, begraven onder de mantel der vergetelheid. Ze hebben hun tijd gehad.

Buiten bij de fiets trekt hij dankbaar zijn trui aan. Hij mag naar huis.

Vrouw hoort hem thuiskomen. Zijn knieën kraken klagend bij het beklimmen van de trap. In het donker ritselt hij zich uit zijn broek. Voor in de verkleedkist van de kinderen. Bezweet gaat hij naast haar liggen. Hij stinkt naar verschraald bier en oud zweet van hemzelf en anderen. Zucht diep, heel diep.

‘Hoe heb je het gehad?’
Als een jonge god’.

In het donker lacht en zwijgt ze. Vrouw weet wel beter.

Telraam

Ze staat er nog. Hij ziet haar als hij het raampje openzet om de weekendlucht uit zijn kamer vrij te laten. Blonde haren nonchalant gebonden in een staart, een paar slierten hangen als vergeten slingers in haar hals. Rosa. Hij rolt haar naam in zijn mond. Rrrrosa. Rosa met de rode lippen. Als hij zijn ogen dicht doet, kan hij ze weer proeven. Aardbeien en zonneschijn.

Rosa kijkt omhoog en prevelt bezwerende getallenreeksen.Telt de vakjes in de ramen. Drieëndertig maal zes. Honderachtennegentig. Honderachtennegentig plus drieendertig maal vier. Hondertweeendertig. Honderdtweeendertig plus honderdachtennegentig. Driehonderddertig. Driehonderddertig gedeeld door tien. Drieëndertig. Drie plus drie. Zes. Zes uur wachten nog. Het staat in het glas geschreven. Ze wiebelt zachtjes op de roze All Stars, zolen lang al afgesleten van haar heen en weer en heen en weer.Telt tot drieëndertig maal zes plus drieendertig maal vier. Zes keer achter elkaar, want dan komt alles goed.

Hij schuift zijn stoel naar achteren. Het scherm voor hem zoemt lijdzaam aan, als langgerekt gapend na een diepe slaap. Op het bureau gebleekt papier met ingewikkelde berekeningen. Zijn ogen prikken van de scherpe ochtendzon die door het glas valt. Het lukt hem niet de grote cijferbrij te ontleden. Bierlucht hangt nog als een aura om hem heen, vermengd met de zoete geur van haar parfum. Souvenir van een mooie nacht.

‘Wacht je op mij? His wish is her command. Rosa staat als een gelijmd vogeltje op de plek waar ze vanochtend afscheid namen. En zingt haar lied van cijfers voor hem. Drieëntachtig, vierentachtig. Waarom weet ze zelf ook niet meer.

Zijn vrienden noemen haar Rivellarosa- ‘Een beetje vreemd maar wel lekker’. Ze wordt gedoogd maar niet begrepen, mag slechts bij gratie van haar schoonheid mee uit, de stad in. Als een rekwisiet in hun spel wordt Rosa dan verplaatst van bar naar kroeg. Ze begrijpt niet wat er om haar heen gebeurd. Rosa begrijpt wel dat ze ergens bij hoort. Dat is genoeg.

Gisteravond was hij naast haar gaan staan. En had met kriebels in zijn buik een compliment gegeven: Je bent zo mooi. Rosa leek het niet te boeien. Keek als gehypnotiseerd naar de glitterlamp die al draaiende sterren op het plafond wierp. Haar rode lippen iets geopend, een belletje spuug glintsterend in de mondhoek. Om verliefd op te zijn. ‘Ga je mee?’ Hij kon niets anders vragen nu. Rosa had even verstoord opgekeken. En ging toen mee, blij met de hand die haar gereikt werd.

De straten waren stil. Onderweg had ze hun stappen naar zijn huis geteld. Eenentwintig, tweeëntwintig, drieëntwintig. Want dan kwam alles goed.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

Dork

 

A sorrowful spoon once said to me:

“It’s not easy being cutlery.

My head gets stuck in bowl and cup

for one goal only: to fill me up.


Though my life may seem brimming with dessert,

you should know it really hurts

to be used as a mere transporter of food.

Often I cry and feel misunderstood.

Helplessly waiting for some human’s grace

to lick a smile back on my face.”

 

O spoon, quit being such a dork,

ever tried eating soup with a fork?

 

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

Naakt

 

 

Schaamteloos leen ik mijn naaktheid uit.
Gewoon mens, geen David noch Adonis.
Maar genoeg relief voor een staafje kool.

Studenten in de kunst nemen me op.
Ik reageer niet, hij gelukkig ook niet

Hier geen plaats voor eros.
Slechts het kool flirt met mijn naaktheid
en streelt mijn omtrek op papier

Niet uit liefde, lust noch geld.
Maar om verbeeld te worden door talent.
En die minieme kans op museale eeuwigheid.

 

 

Tekst HB, Tekening KdR - ©Imageastory, 2011

Kadetje

Ik eet een kadetje met ham.
Het verse witte brood plakt aan mijn gehemelte en laat zich moeilijk wegslikken.
Wit brood op woensdag, dat klopt niet.
Normaal brengt de bakker alleen op zaterdagen een halfje ervan mee.
Daar snijdt mijn moeder dan s’ zondags voorzichtig dunne boterhammen van, zodat we na het weekend ook nog een sneetje mee kunnen nemen naar school.

En nu eet ik een wit kadetje met ham op woensdag. Lekker hoor.
Maar waarom voel ik me dan niet blij?

De mensen om mij heen praten en lachen. Soms hard.
Totdat er iemand geschrokken opkijkt en ze weer fluisterend verder gaan.

Welopgevoede mensen zijn het immers. In hun jurken met glimmende bloemen en goedkoop ruikende pakken – de zakken dichtgenaaid – zien ze er ongemakkelijk uit. Eén pak komt op me af, wil mijn hand schudden. Maar ik niet de zijne.
We ontwijken elkaar stuntelig. Totdat hij opeens uithaalt en ik voel hoe zijn palm een propje papier in die van mij drukt. Een briefje van vijfentwintig gulden.

De man zegt niets, kijkt mij alleen meewarig aan om dan zijn tanden weer in het broodje kaas te zetten dat hij ondertussen in zijn niet-schuddende hand heeft fijngeknepen.
Het zal voor hem ook wel bijzonder zijn, zo iets lekkers op een doordeweekse dag.
Ik ren naar boven om het geld in de spaarpot te stoppen.
En dan weer snel naar beneden: wie weet wat mij nog meer te wachten staat.

Mijn maillot jeukt. Ik haat die dingen. Vanochtend moest ik douchen –  raar, het was toch nog geen weekend? Het stomend hete water had me rood gebrand. Tranen sprongen in mijn ogen maar werden snel weggeboend met scherp ruikende Palmolive zeep. Het trok mijn huid strak. Zo strak dat het niet meer passend leek voor wie ik geworden was. Als een klein kind werd ik met een rulle handdoek afgedroogd en door ferme handen in de stijve jurk en wollen kousenbroek gehesen. Kerkelijke verkleedkleren die aanvoelden als schuurpapier.  Op de wc verlos ik nu mijn benen van hun jeukend juk. De koele lucht verlicht de pijn.

Als iedereen vertrokken is, zet moeder plichtsgetrouw de pannen op het vuur. Aardappelen en kool, daar is niets bijzonders aan. Ik maak de tafel klaar, zet vijf, nee vier borden op het met de hand geborduurde tafelkleed. Bruine draadjes rafelen losgeschoten om jus-  en soepvlekken heen. Nog in het net gekleed schuiven we aan en eten stil ons maal. Dan volgt een gebed ter dank.
Moeder’s amen wordt uitgesproken als een vloek: Het zij zo.

Ik leun mijn hoofd tegen het koude raam. De oranje verlichte straat schittert nat op in het donker.
Twee lantarenpalen verderop lig jij.
In de regen. In een gat.
Hoewel ik weet dat het niet klopt, hoop ik toch dat je het warm hebt, en gezellig.
Dat de grond nog niet gestort is, je nog weg kunt als je wilt.
Ik fluister zachtjes : Ik houd van je papa, echt waar.
Echt waar.
Maar niemand meer die het hoort.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

Gatengraafster

Het zand schuurt langs haar huid, krast rode striemen in de droge knieën.
Ze voelt het niet.
Geconcentreerd, met rug gebogen, duwt ze de pvc buis dieper in de multe,
onbewust van de donkere wolken die samenscholen boven haar.
Als volgevreten figuranten wachten ze loom op hun moment.

Vermoeid veegt ze een lok uit het gezicht.
De zilte lucht doet haar haar krullen, lange plukken steil bochten zich nu sierlijk om haar hoofd.
Straks gaat de schaar erin, alles eraf.
Maar eerst nog een gat maken, en nog één. Totdat er genoeg zijn.

Iedere herinnering krijgt zijn plek, zo had ze het zich voorgesteld.
Haar tas vol snuisterijen ligt half open op het strand. Korrels rollen steels naar binnen, kijken er verwonderd rond.                                  Het wattenstaafje met blauwe oogschaduw,  een oorbel zonder vleugel meer, bonnetjes met handgeschreven rekensommen. Wie wil luisteren hoort hun verhalen. Het steentje van vakantie, de foto met hen beide. Hen beide. Heinde. Einde.

Voorzichtig pakt ze ze op.
Iedere herinnering zijn plek, zoals ze zich had voorgesteld. Niet in haastig gegraven gaten, met de handen uitgeklauwd- nee, een waardige ter aarde stelling. Met eerbied voor wat is geweest.

De wind trekt aan.
Ze moet zich haasten nu, straks zal de regen vallen.
De graven laat ze open.
Lucht, er moet nog lucht bij kunnen.
Het zal de beelden levend houden.

Bijna klaar overziet ze haar werk.
Een eerste druppel valt van haar gezicht.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

In de luwte

Het water is lauw.
Met voeten bloot voelt ze de zachte klei op de bodem tussen haar tenen glijden.
Het kietelt in haar buik.
Tot naadloos de wreef omsloten is en ze geankerd staat.
De wereld aan haar voeten. 

Vandaag nog was er wind geweest.
Onrustige wind.
Een luchtaanval van alle kanten, die haar al trekkend
en duwend had willen beletten thuis te komen.
Het kind was er boos om geworden.
‘Laat me gaan.’
De pedalen van haar fiets driftig aansporend de windwal te doorbreken. .

Nu pas is de wind gaan liggen, moe van de lange dag.
In de luwte lijkt hun strijd al lang geleden.
Het kind beweegt zich voorzichtig.
Kleine kringen echoën almaar groter over het water heen, golven geluidloos van haar weg.
Onder de oppervlakte wolkt bruine modder omhoog.
Slechts stil staan kan het weer bedaren.

Broer had het kind aan zien komen.
Haar opgewonden blossen getuigden van het verwaaide vechten.
Hij draaide snel de deur op slot zodat ze om moest lopen.
Pestkop. Boos stampend sloegen haar voeten in het grinten pad.
Ze beet hem ‘eikel’ toe toen ze langs hem stoof, de trap op.

Haar buik knort klagelijk. Hoe lang heeft ze al niet gegeten?
Te lang zo te horen.
Eenmaal boven had ze een schaar gepakt, de scherpe die naast de naaimachine lag.
En systematisch de blote vrouwen aan zijn muur bewerkt, ze hun laatste booby job gegeven.
De dames lachten er niet minder uitdagend om.

Broer loopt langs.
Het kind heeft hem allang gezien.
Boos en bang richt ze haar blik naar onder.
Hij houdt zich in.
Zegt zacht: ‘Kom nou naar huis, je wordt gemist’.
En legt een boterham voor haar neer. .
Ze zal wel honger hebben.


Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

Burning Heart

Ik spuug de rook uit.
Het blijft even hangen voor mijn mond, totdat het richting die kleine waait.
Ze begint demonstratief te kuchen, de aanstelster.
Veegt met haar hand per ongeluk gele oorlogsstrepen over haar wangen.
Warrior of love.

Inhaleren durf ik niet.
In plaats daarvan zuig ik zo zuinig mogelijk aan het filter, werk al pratende de bedorven lucht snel naar buiten.
Roken schaadt de gezondheid meld het pakje groots.
Niet roken zou mij meer schaden ben ik bang.
Maar dat zetten ze er niet op. 

Mijn zusje kijkt naar me op en lacht. ‘Hoe vind je het geworden?’.
Ik kniel naast haar neer en verruil de sigaret in mijn hand voor het krijt in de hare.
Schrijf groot LOVE in het hart, zo groot dat het er van barsten zou. Ik kan het bijna voelen.
Ondertussen houdt zij demonstratief mijn peuk op armlengte afstand. ‘Roken is goor. En saai.’
Ik geef haar stil gelijk.

Bijna op. De brandende tabak raakt haast mijn huid.
Kleurt het geel, als waarmerk van the in-crowd.
Ik voel hoe de misselijkheid zich een weg naar boven baant.
Oefening baart geen kunst.
Met mijn hoge hak doof ik het vuur en kijk haar aan.
‘Zullen we tikkertje doen?’
Ik ren al weg maar val door ongepaste schoenen.
Groeipijn doet mijn wangen branden.

Tekst KdR, Foto HB - ©Imageastory, 2011

Kedengedeng….


Welkom ben ik zelden.
Mijn overlevenden
noemt men helden,
triomfators
over
het onvermijdelijke.

Als een kat die,
staart in de bek,
noch zijn begin
noch einde
meer kent. 

Loslaten jullie,

Zij die sterven gaan moeten
nu
het seinsignaal horen,
aangespoord
de enkele reis uitzitten,
tot op
het bot.

De trein mist,
hier kruisen slechts ogen
verder onze wegen.
Mededogen ken ik niet.

Strooi maar
blaadjes
op de rails.

Tekst KdR, Foto HB - ©Imageastory, 2011