Just another WordPress.com site

Posts tagged “dood

OMA

  • Agápe (αγάπη agápē) means “love” in modern day Greek, such as in the term s’agapo (Σ’αγαπώ), which means “I love you”. In Ancient Greek, it often refers to a general affection or deeper sense of “true love” rather than the attraction suggested by “eros”. Agape is used in the biblical passage known as the “love chapter”, 1 Corinthians 13, and is described there and throughout the New Testament as sacrificial love. Agape is also used in ancient texts to denote feelings for a good meal, one’s children, and the feelings for a spouse. It can be described as the feeling of being content or holding one in high regard.

 

“Ik ging met een lege wagen heen en kwam met een vrouw erop terug.”

Mijn opa maakt geen grap. Zestig jaar huwelijk moet toch ergens mee begonnen zijn, hij vertelt het zoals het is. Zijn vrouw – lange, ragfijne haren als een wit donsje op het hoofd geknot, de huid kwetsbaar geplooid – staart afwezig uit het raam en mompelt.
“Het gaat straks regenen.”

 Ik zie haar zitten. Een jong meisje nog, de ranke nek bedeesd naar beneden gebogen terwijl het paard zich een weg ploegt door de trekkende kleigrond. Ze kijkt naar de voeten van de man,  zijn voor de gelegenheid schoongeschrobde klompen, zondagse sokken misplaatst in het hout gevat. Afkomst laat zich niet verloochenen. Iets hoger gaan haar ogen dan, naar hoe zijn handen – grof werktuig – de teugels  laten vieren en weer aantrekken.  Een voorbode van haar toekomst.

 Samen zijn. Hoe heeft ze zich dit ooit gedroomd, welk fantoom van liefde zocht haar op? Ik weet het wel: tedere handen die haar gezicht omvatten, een zachte kus op de mond bij het ontwaken. Ogen die zien en oren die horen, naar haar willen luisteren ook.  Maar buiten de droomtijd  wacht hard werken, bidden en baren: het leven een rantsoen van water en brood, voor wie niet veel vraagt zal weinig genoeg zijn.

Houden ze van elkaar? Het doet er niet toe. Hun huwelijk bindt families en dorpen,  heden en verleden samen. Zij zijn slechts een facet in het web van gesponnen geschiedenis.

 Zestig jaar. Hij voelt als een deel van haar lichaam dat zich heeft ingegroeid, gaand waar zij gaat zonder dat ze er speciale aandacht aan hoeft te besteden.
Gelaten symbiose.
De kinderen – zondagmiddags’ koffiebezoek – vinden haar niet veel later huilend in de leunstoel bij het raam.  Zijn stoel. Terwijl tranen langzaam haar wangen strelen, dekken zij het lichaam af. Een niet geslaagde amputatie. Snel gaat ze hem achterna.

Dag oma.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2012

Advertisements

Weerstand

Weerstand

 

Daar stond je weer

De kogel schoot ditmaal door
ene oor in
en andere uit

liet mij je kruit
– het viel in droge droge woorden
naar beneden
door de holtes in mijn lijf
op de grond
tot het tot stof
was wedergekeerd

I want u to die in a war


maar hoor, ik lik mijn wonden
weer

sta op en wankel
keer op keer

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011

 


Kadetje

Ik eet een kadetje met ham.
Het verse witte brood plakt aan mijn gehemelte en laat zich moeilijk wegslikken.
Wit brood op woensdag, dat klopt niet.
Normaal brengt de bakker alleen op zaterdagen een halfje ervan mee.
Daar snijdt mijn moeder dan s’ zondags voorzichtig dunne boterhammen van, zodat we na het weekend ook nog een sneetje mee kunnen nemen naar school.

En nu eet ik een wit kadetje met ham op woensdag. Lekker hoor.
Maar waarom voel ik me dan niet blij?

De mensen om mij heen praten en lachen. Soms hard.
Totdat er iemand geschrokken opkijkt en ze weer fluisterend verder gaan.

Welopgevoede mensen zijn het immers. In hun jurken met glimmende bloemen en goedkoop ruikende pakken – de zakken dichtgenaaid – zien ze er ongemakkelijk uit. Eén pak komt op me af, wil mijn hand schudden. Maar ik niet de zijne.
We ontwijken elkaar stuntelig. Totdat hij opeens uithaalt en ik voel hoe zijn palm een propje papier in die van mij drukt. Een briefje van vijfentwintig gulden.

De man zegt niets, kijkt mij alleen meewarig aan om dan zijn tanden weer in het broodje kaas te zetten dat hij ondertussen in zijn niet-schuddende hand heeft fijngeknepen.
Het zal voor hem ook wel bijzonder zijn, zo iets lekkers op een doordeweekse dag.
Ik ren naar boven om het geld in de spaarpot te stoppen.
En dan weer snel naar beneden: wie weet wat mij nog meer te wachten staat.

Mijn maillot jeukt. Ik haat die dingen. Vanochtend moest ik douchen –  raar, het was toch nog geen weekend? Het stomend hete water had me rood gebrand. Tranen sprongen in mijn ogen maar werden snel weggeboend met scherp ruikende Palmolive zeep. Het trok mijn huid strak. Zo strak dat het niet meer passend leek voor wie ik geworden was. Als een klein kind werd ik met een rulle handdoek afgedroogd en door ferme handen in de stijve jurk en wollen kousenbroek gehesen. Kerkelijke verkleedkleren die aanvoelden als schuurpapier.  Op de wc verlos ik nu mijn benen van hun jeukend juk. De koele lucht verlicht de pijn.

Als iedereen vertrokken is, zet moeder plichtsgetrouw de pannen op het vuur. Aardappelen en kool, daar is niets bijzonders aan. Ik maak de tafel klaar, zet vijf, nee vier borden op het met de hand geborduurde tafelkleed. Bruine draadjes rafelen losgeschoten om jus-  en soepvlekken heen. Nog in het net gekleed schuiven we aan en eten stil ons maal. Dan volgt een gebed ter dank.
Moeder’s amen wordt uitgesproken als een vloek: Het zij zo.

Ik leun mijn hoofd tegen het koude raam. De oranje verlichte straat schittert nat op in het donker.
Twee lantarenpalen verderop lig jij.
In de regen. In een gat.
Hoewel ik weet dat het niet klopt, hoop ik toch dat je het warm hebt, en gezellig.
Dat de grond nog niet gestort is, je nog weg kunt als je wilt.
Ik fluister zachtjes : Ik houd van je papa, echt waar.
Echt waar.
Maar niemand meer die het hoort.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2011


Kedengedeng….


Welkom ben ik zelden.
Mijn overlevenden
noemt men helden,
triomfators
over
het onvermijdelijke.

Als een kat die,
staart in de bek,
noch zijn begin
noch einde
meer kent. 

Loslaten jullie,

Zij die sterven gaan moeten
nu
het seinsignaal horen,
aangespoord
de enkele reis uitzitten,
tot op
het bot.

De trein mist,
hier kruisen slechts ogen
verder onze wegen.
Mededogen ken ik niet.

Strooi maar
blaadjes
op de rails.

Tekst KdR, Foto HB - ©Imageastory, 2011