Just another WordPress.com site

Posts tagged “photography

Whine and dine

Wine and Dine

In de lucht tussen de man en vrouw in hangt geen spanning meer. Ontspanning ook niet. In plaats daarvan niet-uitgesproken verlangens die het paar elkaar met iedere ademhaling toe blaast. Als zeepbellen vallen ze door de dode lucht heen op tafel stuk.‘Alles naar wens, mijnheer, mevrouw?’ De ober buigt zich naar hen toe en werpt zijn schaduw over hun gezichten. Ja, ja, knikken ze verstoord. Alles naar wens.

De vrouw kijkt toe hoe hij de knoop van zijn broek los maakt en zijn hand tevreden op de opbollende buik legt. Zwarte schaamharen schemeren door de dunne stof van het overhemd heen. Zo dadelijk zal hij ‘even ruimte maken voor het toetje’ zeggen. Hij strekt zijn benen onder tafel uit en schampt hierbij lichtjes haar voeten. Ze voelt een schok door zich trekken, een onverwacht verheugd zijn van haar lichaam met de aanraking. Verontschuldigend kijkt hij haar aan. ‘Even ruimte maken voor het toetje’. Haar lippen krullen licht.

Dan blijft het weer stil tussen hen. In de verte klinkt scherp breken, gevolgd door het vloekend bijeen vegen van splinters glas. De vrouw bekijkt de man vanuit haar ooghoeken. Vreemd.                                                                               
Ze vraagt zich af wanneer ze elkaar als vanzelfsprekendheden zijn gaan beschouwen, ze elkaar hadden vastgeklonken in beelden waar geen beweging meer in te krijgen was.

Op televisie had ze eens een man liefdevol over zijn geliefde horen vertellen. Hoe hij s’ochtends zijn hoofd naar haar toedraaide en dan keek, alleen maar keek. ‘Hello stranger.’                                                                    
Hoe hij in haar gezicht, haar handelen niet zocht naar een bevestiging van het bekende, maar wil ontdekken wat zij tot nu toe nog niet aan hem getoond had. 
Kennis maken, iedere dag weer.

Misschien is dat wel wat ze elkaar verwijten mogen. Dat ze de macht der gewoonte hadden verkozen boven de kracht van de nieuwsgierigheid. Als Pavlov-honden gevangen in aangeleerde actie en reactie. Het snuffelen voorbij.

De ober brengt hen de dessertkaart. Als hij hem aan de man wil overhandigen, wuift deze de kaart kordaat met zijn grote, grove hand terug. ‘We hebben onze keuze al gemaakt mijnheer. Zij een zwarte koffie met chocoladetaart en ik een Dame Blanche, zonder de slagroom. Zoals altijd’. Hij lacht haar minzaam toe.                                                                                              
Als door een ander overgenomen, voelt de vrouw het hoofd schudden, hoe vingers de mouw van de ober licht aanraken.
‘Ik wil deze keer graag iets anders’. Haar stem klinkt schor en ongewoon.

De man kijkt in vertraging op.

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2012


Aardedonker

De aarde opent zich en haar gezicht licht op. 

Wie is daar?

Eerder:

Grond plakt aan haar benen. Gras ook. Ze was naar beneden geslopen nadat de w.c. werd doorgetrokken en het vertrouwd krakende bed weer stil was. Eerst nog had ze uit het raam staan kijken. Haar ogen, de duisternis ongewend, stelden zich scherp. Buiten een schimmenspel, de boom met schommel, het konijnenhok in de hoek, een badje halfvol water. De tuin kwam langzaam boven drijven, als een foto in een ontwikkelbak.Nu ligt ze hier en ruikt voorzichtig aan het donker om haar heen. De nacht dekt haar toe, ze hoeft niet bang te zijn.

Grond valt in zijn ogen. En prikt, mijn god, wat prikt dat. Tranen spoelen halfslachtig  erlangs. Als hij met zijn vingers het vuil weg wil halen, bedenkt hij zich. De met klei besmeurde handen zouden het slechts erger maken. Trekken in plaats daarvan hard aan zijn haren, pijn met pijn vervangend. Waar is die vervloekte bril?

Ze draait zich om, haar rug wordt koud. Vanmiddag nog had ze gerend hier, althans gepoogd, met een voet slepend achter zich aan. Bloed was uit de snee gegleden en had een spoor getrokken over haar hiel en op de grond. Het gras -bijna dood – zoog alles op wat drinkbaar leek. Het rode vocht was goed gevallen.

Hij gaat door. Zet de lege schep in de lemen muur voor zich om hem vol achter weer te legen. Keer op keer zijn eigen graf verplaatsend. Hoelang al? Nog niet lang genoeg, vermoedelijk. Vooraf had hij bedacht zo’n 12 uur te moeten graven. Nu weet hij het niet meer: de wijzers van zijn horloge stonden al lang geleden stil.

Als een moderne Eva was ze in de verboden boom geklommen. Te gevaarlijk, zo maande vader haar altijd. Maar het uitzicht bleef lonken. Natuurlijk zag ze niets meer dan weinig, rollen prikkeldraad die niemandsland omsloten, tot aan de betonnen wal met barakken vol met mensen. Heel erg stoute mensen, had ze gehoord, die voor straf binnen blijven moesten. Ze voelde met hen mee.

Oog om oog: hij had geroofd en werd op zijn beurt de vrijheid ontnomen. Hoewel hij hier in theorie nog wel de redelijkheid van inzag, bleek de praktijk van het opgesloten zitten niet te doen. Een plan, simpel als een jongensboek, zou hem redden gaan. Met schep en lamp het buiten tegemoet. En hier hij is dan, ondergedoken in de aarde, zich een weg banend naar bestemming onbekend. Een blinde mol zonder zicht op wat er komen gaat.

Ze ging op haar tenen staan, hopend op een glimps van de gevangenen. Maar de tak kon het meisje niet dragen en schudde wild van onvermogen totdat zijn last gevallen was. Heel even suisde de lucht in haar oren – toen lag ze geknakt door het prikkeldraad heen. Haar voet deed pijn.

Hij is er klaar mee. Gewoon, klaar. Hij wil niet meer vooruit, hij wil naar boven, wat de gevolgen ook mogen zijn. Moe zet hij de schep in het plafond boven hem, de ogen ditmaal dichtgeknepen. Droge aarde regent op zijn hoofd.

Vader was zo boos geworden. Uit bezorgdheid zei hij later. Haar misdaad werd met twee weken niet naar buiten berecht. Hij had vervolgens lappen in azijn gedrenkt – geleerd nog van zijn grootmoeder- en deze zorgvuldig om de gezwollen voet gewikkeld opdat deze slinken zou. Het zuur beet venijnig in haar vlees.

Hij voelt de grond verzwakken, het boven is nabij. Na de laatste stoot valt de avondlucht toch onverwacht op hem neer. Nauwelijks durft hij het in te ademen, bang om gehoord te worden. Dan richt hij de zaklamp op en ziet de vrijheid aan.

Tekst KdR, Foto HB - ©Imageastory, 2011

Toadface

Paddenkop, zo werd hij genoemd. Joelend riepen ze het hem na. Kwakend ook.

Kwam het door de vlezige lippen, zijn verweekte kin? Of  waren het de grote vermoeide ogen, waterig vragend om erbarmen, die hem volgens anderen verlaagde tot het dierenrijk?

Hij dook ineen, trok zijn hangende schouders op in de dikke winterjas die hem beschermde tegen  de woordenregen. Rende naar huis, met tranen een nat spoor trekkend tot aan de voordeur.

Zijn moeder troostte hem zoals het ware moeders betaamt. Ze aaide z’n ronde schedel, drukte zijn neus in haar borsten en fluisterde hem toe dat hij toch echt de mooiste was. Een mooier mensenkind kon ze zich niet wensen. Terwijl haar vingers door zijn dunne haren gleden, hen schikten tot een scheiding, hoorde hij het kwaken echoën in zijn hoofd. Om er niet meer weg te gaan.

De grootste vernedering moest nog komen. Op het schoolplein ligt hij met zijn rug op de tegels, een teveel aan sterke armen drukt zijn weerstand neer. Het meisje, de ergste van haar soort, buigt zich over hem heen en plaatst met ogen dichtgeknepen van walging haar lippen op de zijne. Als in een kwaadaardig sprookje kust ze hem monddood.  De feeks heeft de weddenschap gewonnen. Hem vergaat voor altijd de lust tot meer.

De tijd ging voorbij. Zijn verleden werd vergeten noch vergeven. Het schuurde mee als een schaduw.

Hij loopt de straat  in. Een steek van herkenning.  De huizen, oude bakstenen getuigen, kijken net als toen zwijgend op hem neer. Hij neemt zijn passen gehaast en groot. Een vrouw – vaag bekend- passeert hem langs linkszij.Tuit haar lippen, sist dan “Paddenkop”.

Versteend blijft hij staan.

Tekst KdR, Foto HB - ©Imageastory, 2011

Where 2 go 2



Where 2 go 2


Mijn hart klopt niet meer. Het slaat. De razende spier lijkt zich een weg naar buiten te willen  forceren, met iedere slag wordt de weerstand van mijn ribben minder.


Dit zijn mijn ergste momenten. Doen – niet doen, gaan – niet gaan: als een balans die aarzelt op zijn middelpunt. Wachtend op de doorslag, een doorslag. Het dondert niet meer welke.


Ik kijk naar de klok. Nog 8 minuten en ik heb gekozen. Het vertikken van de wijzer en de roffel in mijn lichaam disharmoniëren. Ik ben uit de maat.


De man kijkt verstoord op als ik voor de derde keer voorbij snel. Met een voet trekt hij zijn hond naar zich toe. Ik zou hem kunnen schoppen.                                          Maar ik wacht. Haal diep adem, voel het stokken in mijn borst. De lucht benauwd me. Het is nu bijna tijd.


De omroepinstallatie kraakt. Een vrouwenstem verkondigt sympathiek een treinvertraging aan.


Moe laat ik mijn schouders zakken.

 

 

Tekst KdR, Foto HB - ©Imageastory, 2011