Just another WordPress.com site

Posts tagged “vader

Chroicocephalus ridibundus

In de polder is het veilig toeven. Mijn vader weet dit als geen ander, neemt de hond geregeld aan de riem om zichzelf uit te laten. Soms mag ik met hen mee het weiland in. Het beest en ik draaien dan kwispelend rondom de grote man, bedelen om een stukje aandacht. Terwijl hij de groene horizon scant met zijn ogen, vriend noch vijand onbemerkt, aait vader ons over het hoofd. Zijn hand voelt sterk en warm, als een ploeg trekt hij voren in m’n haar.

Gezamenlijk schuimen we het hoge gras af op eieren. Nat slaan groene slierten zich om onze kuiten heen, het water sijpelt mijn laarzen in en vormt poeltjes op de bodem. “De kokmeeuw” ,zegt mijn vader, “Alias Chroicocephalus ridibundus, heft de vleugels en strekt haar nek en snavel recht omhoog als zij zich aangevallen voelt. Kijk.” En hij doet de boze vogelvrouw na, staat als een gekruisigde in het land met het hoofd verontwaardigd naar de hemel geheven. Een ‘Waarom heeft u mij verlaten?’ zonder woorden.

De hond blaft vader opgewonden uit zijn tableau vivant. Over de natte kleigrond glijden we naar hem toe. Een nest ligt verscholen in de waterkant, het hoge riet beschermer van drie eieren op een takkenbed. Kippenvel bekruipt me. Ze liggen er koud bij, zo zonder de warme lijven van hun ouders. Voorzichtig pakt mijn vader een ei op, houdt het hoog tegen het licht waardoor achter de ijle schil een schaduw zichbaar wordt. “Grot van Plato.” zegt hij zacht. De foetus lijkt instemmend te knikken. Maar dan zie ik dat het vader’s bibberende hand is die hem bewegen doet.

Sinds de dokter met hem sprak over een terminale ziekte -alsof het leven ooit iets anders is dan dat- is de dood te herkennen in al vader’s doen en laten. Nu hij zich bukt om het ei weer zachtjes terug te leggen bij de anderen, hoor ik hoe zijn ruggewervels kermen. Zijn oogleden hangen vermoeid half over de ogen heen, als kapotte blindering die bij het omhooghalen is vastgelopen. Het lichaam heeft de terugtrekking al ingezet.

Vader kijkt me aan en lacht. “Misschien kom ik wel terug als vogel straks. Zet maar alvast op de kaart: Wees maar blij, hij is nu ei.” Ik probeer met hem mee te lachen maar mijn gezicht laat zich slechts in een grimas trekken. Later, als hij dood is en in dezelfde klei ligt als waar we nu samen op lopen, zal ik iedere overvliegende vogel groeten zoals het een trouw kind betaamt, nu de eigen blik verontwaardigd omhoog. “Ben jij het? Heb je niet al lang genoeg gevlogen? Kom terug, ik heb je nodig.”

Een kokmeeuw cirkelt hoog boven onze hoofden. Ze krijst en kijft om de reuzen bij haar nest vandaan te krijgen. Wanneer wij de nek strekken om de vogel eens goed te bekijken, vertellen wij haar in eigen taal dat ook wij ons aangevallen voelen. Éénmaal duikt ze vlak over onze hoofden heen, neemt dan haar verlies tegen de mens. Chroicocephalus ridibundus. Als een toverspreuk vliegt ze de grauwte tegemoet, haar eieren rillend achterlatend.

 

Tekst KdR, Foto HB – ©Imageastory, 2012